Slachting nabij Cannibal Park (12)

by

Hoofdstuk 12

“Shitshitshit. Hier zijn we al geweest. Kijk daar.”

Julia volgt Ambers wijzende vinger en ziet het autowrak. Hier zijn we gisteren vertrokken.

“Dan kan de snelweg niet ver weg zijn.”

Een vleugje hoop flakkert op.

“We hebben iets nodig om de aandacht van de voorbijrijdende auto’s te trekken. En een wapen of zo.”

“En iets om te eten”, grijnst Julia.

“Misschien ligt er in de auto nog iets dat we kunnen gebruiken.”

“Ik weet dat Theresa wel een mes in haar rugzak had zitten. En er moeten zeker nog wafeltjes zijn.”

De meisjes naderen de wagen. Iets of iemand heeft Inge Vervotte uit de wagen gesleurd en haar lijk gruwelijk toegetakeld. Haar ledematen zijn verdwenen en wat nu op de grond naast het wrak ligt, is een nog grotere puinhoop dan de vernielde auto. Haar romp is grotendeels verijzeld. Haar mond is opengescheurd. En haar ogen zijn uitgestoken. Nog nooit hebben Amber en Julia iets gezien dat zo gruwelijk, zo monsterlijk is als dit. De bloedplas is zo groot dat ze er niet omheen kunnen om bij de wagen te geraken. Op hun tippen proberen ze de achterkant van de wagen te bereiken. Er liggen nog een paar rugzakken in.

“Hebbes!”, zegt Amber. Ze toont het mes. En de wafeltjes.

“En nu verder. Naar de snelweg.”

“Ok.”

De meisjes kunnen de brug zien, maar niet hoe ze er kunnen geraken. De auto is van redelijk hoog naar beneden gedonderd.

“Straf dat we dit overleefd hebben”,zegt Julia.

“Als we dit overleven… “, fluistert Amber met bevende stem het eerste woord benadrukkend. Ze trekt Julia opzij de struiken in.

“Wat?”

“Stil. Kijk.”

Amber wijst. In de verte komt een groepje aangelopen. Het zijn er vijf. Drie ervan (twee mannen en een vrouw) zijn vuil en naakt. Hun lichaam draagt de sporen van een leven als dieren in de natuur. Een van de wildemannen mankt. Amber ziet dat zijn been eindigt in een stompje. De man is een voet kwijt geraakt en loopt op het uitstekende bot. De vrouw is uitgemergeld en bleek. Haar haren klitten samen in dikke bundels. Ze heeft de leiding over de twee anderen en gromt luider en agressiever dan de anderen.
Naast de twee mannen en de vrouw, lopen nog twee andere personen mee met het groepje.

“Shit”, fluistert Amber.

“Wat?”

Ze wijst naar de uniformen die de twee anderen dragen. Het zijn nette legergroene uniformen waarop met gele letters het logo van het Afrikamuseum in Tervuren is aangebracht.

De vrouw gebaart in de richting van de auto. De uniformen lopen erheen. Alsof zij hen instructies geeft waar ze moeten gaan zoeken.

Wat zouden ze zoeken? Zijn de mensen van het Afrikamuseum ongerust geworden en komen ze hen zoeken? Doen ze dat met al hun bezoekers die niet komen opdagen? Amber kan het zich moeilijk voorstellen. Hier is meer aan de hand.

Een van de uniformen knielt neer bij het lijk van Inge. Hij haalt een groot mes boven en snijdt stuk uit haar lijft.

“Jakkes”, gruwelt Julia.

“Stil”, port Amber haar aan.

Dan gooit de man het stuk vlees in voor de wildemannen op de grond. Ze vliegen er als beesten op en verslinden het. Enkel de vrouw beheerst zich min of meer.

“Maak haar duidelijk dat ze moet eten”, roept het uniform.

De andere doet teken. Hij gaat op zijn knieën bij de twee beestemannen zitten en wijst naar zijn maag.

De vrouw reageert enkel grommend.

“Je kan een stamhoofd geen aas voeren, Hammond”, roept hij zijn kompaan toe,” Het is hopeloos. We hebben vers voedsel nodig.”

“Godverdomme.”

Vers voedsel? Julia en Amber weten wat dat betekent.Maken dat ze hier wegkomen, voor iemand op het idee komt hen bij hun haren naar een open plek te sleuren en te voederen aan dat magere scharminkel met knokige beenderen en bijna onaanwezige borsten.

“Lopen, Julia.”

De meisjes springen uit de struiken en rennen in de tegenovergestelde richting van de groep. Ze horen het hoopgevende geruis van de snelweg. De auto’s die nietsvermoedend over het wegdek razen. Op weg naar de volgende file.
Hun vlucht blijft niet onopgemerkt. De vrouw vuurt wild gesticulerend haar onderdanen aan. De uniformen rennen mee met hen.

“Stop hen”, beveelt de man die Hammond genoemd werd,” Ze hebben veel te veel gezien. Ze mogen niet ontsnappen.”

“Laat de Proefpersonen dat klusje maar opknappen”, zucht de andere hijgend.

De meisjes rennen. Weg van het geroep en gebrul. Ze springen over struiken en bosjes, wetend dat ze het niet kunnen halen van de aapachtige klootzakken die hen achternazitten.

“Vreet dit, klootzakken.”

Amber is bruusk gestopt, heeft een steen opgeraapt en gooit die met volle kracht tegen het hoofd van een van de twee wildemannen. Hij gaat neer.

De andere schrikt van de reactie. Hij stopt. Julia haalt het mes boven. De wilde briest en overweegt zijn kansen en stuift dan als een dollemaan op Amber af. Hij grijpt haar en gooit haar tegen de grond. Julia aarzelt geen seconde. Ze steekt hem met het mes in de nek. En nog een keer. Hij brult het uit. Julia geeft niet op. Ondertussen heeft Amber zich kunnen vrijmaken en ook zij gooit zich met haar volle gewicht op het gedegenereerde wezen. Met haar vuisten bonkt ze op zijn hoofd tot hij uiteindelijk roerloos op de grond blijft liggen.

“Wow. Nooit gedacht dat ik dit ooit zou doen”, zucht Julia. Ze houdt het bebloede mes voor zich.

“Stel je gemijmer nog even uit, Final Girl. Direct komen die twee uniformen terug en beseft dat magere mens dat haar kompanen te lang weg blijven. We moeten weg. “

“Het bos in?”

“Wil je liever terug voorbij onze favoriete fijnproefster en haar geüniformeerde vrienden?”

Julia schudt van neen en haast zicht om Amber te volgen die tegen beter weten in het donkere woud invlucht.

Tags:

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s


%d bloggers liken dit: