Slachting nabij Cannibal Park (2)

by

Hoofdstuk 2.

Theresa wordt wakker met een hoofd dat op ontploffen staat. Ze ligt niet in bed met een wildvreemde na een avondje stappen. Neen, rondom haar liggen glasscherven en brokstukken van de Opel Zafira die haar met een aantal vriendinnen naar Tervuren moest brengen. Haar enkel doet pijn, waarschijnlijk gebroken. Of op z’n minst verstuikt.

“Help! Godverdomme help!”

Theresa hoort de stem van haar zus Aga. Ze zit nog vast in het wrak, bedenkt ze. Ze zit vast in de auto die met een rotvaart van de brug is gestort. Theresa haast zich naar waar ze de stem van haar zus vandaan hoort komen.

Aga zit inderdaad vastgeklemd. De veiligheidsgordel snijdt zo erg in haar vlees dat de onderste helft van haar armen blauw ziet. Aga’s gezicht zit onder de schrammen en het bloed. Naast haar ziet Theresa het lijk van de chauffeur.

“Vervotte is dood”, snikt Aga.

“Ja.”

Inge’s dode gezicht is verwrongen van de pijn. Haar hoofd is gedeeltelijk van haar lichaam gescheiden. Ze moet nog een tijdje geleefd hebben. Terwijl wij allemaal bewusteloos lagen, vocht zij voor haar leven. Tevergeefs.

Met de moed der wanhoop probeert Theresa haar zus uit het wrak te halen. Ze probeert daarbij zo weinig mogelijk naar het lijk te kijken en haar neiging tot braken te bedwingen.

“Denk je dat je iets gebroken hebt?”

“Neen”, schudt Aga,”Het is een klein mirakel, maar ik denk dat ik wel ok ben. Van zodra mijn bloedcirculatie terug min of meer normaal is.”

“Goed”

Ze zwijgen. Geen van beide vraagt naar waar de andere drie meisjes zijn. Bang voor het antwoord. Bang voor wat komen gaat.

“Gaat het met je enkel? Kan je erop lopen?”

“Redelijk.”

“We zullen hulp moeten gaan zoeken. Zou dat lukken?”

“Ik weet het niet. We zullen proberen.”

Aga ondersteunt haar zus. Ze lopen wat verder bij het wrak vandaan. De pijn blijkt goed mee te vallen. Wellicht is adrenaline de beste pijnstiller.

“Hallo?”

Beide meisjes herkennen de stem van Kelly.

“Kelly?”

“Ja! Hierheen!”

Ze vinden Kelly zwaar gehavend in een gracht. Ze doet wanhopige pogingen de lichamen van Amber en Julia boven water te houden.

“Snel! Ze zijn bewusteloos. Ik voel hen ademen. Maar ik krijg hen het water niet uit, want ik zit vast met iets. “

Aga en Theresa helpen de drie vriendinnen het water uit. Ze zijn nat en hebben het koud, maar voor de rest zijn hun verwondingen verwaarloosbaar.

“We hebben geluk gehad”, zucht Amber.

“En Vervotte?”

Een algemene stilte beantwoordt de vraag.

“We moeten vuur maken. Dat trekt de aandacht en dan kunnen we wat opdrogen voor we hulp zoeken”, zegt Theresa, praktisch als altijd.

“Vervotte is toch dood, bedoel je?”

“We moeten haar uit de auto halen.”

“Neen, laat alles zoals het was. Voor als de politie komt.”

“En wat als iemand haar vindt? Je weet nooit wie er ’s nachts rondloopt?”

“De Grote Boze Wolf, Julia? Of Een groepje rondzwervende lijkenneukers? Maak je geen illusies, we zitten midden in het bos. Niemand weet waar we zitten. We weten zelf niet welke richting we uitmoeten om in de bewoonde wereld uit te komen. Leuven kan niet erg ver zijn. Laten we eerst opdrogen en over een uur of twee verder gaan”, countert Theresa de aanvallen op haar leiderspositie.

“Neen, Terry dat heeft geen zin. We lopen verloren in het donker. Met het risico dat er nog iemand in een put stuikt of in een rivier belandt. Laten we tot morgenvroeg blijven.”

Misschien komt het door de schok en de drank en de jarenlange scoutstraining van de meisjes, maar na veel discussie gaan ze allemaal akkoord om de ochtend af te wachten in het bos. Uit hun baggage halen ze een aantal benodigdheden die tot de standaardscoutsuitrusting behoren: ZIP-blokjes, lucifers, alcohol en een deken.

Een uur later zitten ze in het natte bos rond een rokend en stinkend vuurtje van relatief droge takken en bladeren. Het is warm. De alcohol dringt het trauma naar de achtergrond: het autongeluk, de gruwelijke dood van Inge Vervotte en hun eigen bijna-doodservaringen.

“Had die stomme kut wat minder hard gereden, dan zaten we hier nu niet”, zucht Amber.

“Je mag haar geen stomme kut noemen, Amber. En daarbij er liep een beest over de weg.”

“Ik noem iedereen een stomme kut, als ik dat wil. Stomme kut.”

Aga zucht.

“Ze is verdomme doodgegaan op nog geen halve meter van waar ik zat. Voor het zelfde geld hadden die takken zich door mijn strot geboord. En lag ik in stukken vaneen in de bosjes.”

“Met je benen open. Voor als er rondzwervende lijkenneukers langskomen”, gniffelt iemand.
De meisjes lachen. Heel even voelt het alsof ze niet natgeregend en bebloed, midden in het bos zitten, maar aan de toog van de plaatselijke jeugdclub. Ze lachen en praten, drinken felgekleurde drankjes met een parapluutje en laten zich de ontdekkende strelingen van hun mannelijke leeftijdsgenootjes welgevalllen.

Een plotse schreeuw verscheurt de nacht. Het klinkt als een beest.

“Fuck! Wat is dat?”, roept Amber.

Ze doet haar best zelfzeker te klinken, maar haar stem verraadt angst en onzekerheid.

“Het beest?”

“Huh?”

“Het beest dat de weg over stak? Zei je niet dat de Zafira van de weg ging doordat een beest de weg over stak?”

“Dat moet een hond geweest zijn.”

“Of een wolf.”

“Zever niet!”

“In de Ardennen zitten wolven.”

“We zijn niet in de Ardennen, stomme kut. En dit is ‘An American Werewolf in London’ niet.”

Amber, duidelijk bekomen van haar eerste angst, staat op. Ze tuurt in de duisternis.

“Ik zie niks.”

“En dan is er niks? Die beesten zijn nachtdieren. En wij zitten aan het vuur.”

“We kunnen het vuur toch moeilijk uitdoen. Dan vriezen we dood”, sputtert Julia tegen.

“Zal ik even gaan kijken, anders”, stelt Amber voor.

“Goed idee”, lacht Kelly,” vraag dan direct een handtekeing aan David Naughton, als je hem ziet.”

Amber proest het uit. De andere meisjes kijken nietsbegrijpend in het rond.

“David Naughton? Neen? De acteur in American werewolf… Niet gezien?”

“Niet gezien”, bekent Theresa,” De moeite?”

“Beste scenario ooit”, bevestigt Kelly met een knipoog.

Ondertussen loopt Amber in de richting van waar het geluid kwam.

“Tot straks!”

“Wees voorzichtig. Dat je niet…”

Valt? Struikelt? Veelvuldig verkracht wordt door rondtrekkende lijkeneukers en groepsverkrachters? Julia weet niet waar ze precies bang voor moet moet zijn. Er is zoveel. In dit onbekende, donkere, bos. Julia haat bossen. En dat is opmerkelijk voor een scoutsleidster. Ze houdt van de feestjes en de uitstapjes naar pretparken en zo, maar het sjorren en bivakkeren heeft ze altijd weten te vermijden. Niet dat ze het niet kan. Julia kan even goed knopen leggen en kompas lezen als een ander . Ze maakt zich gewoon niet zo graag vuil.
En hier zit ik dan, bedenkt ze. Doorweekt. Smerig. En met een grote kans dat ik tijdens het ongeval van schrik in mijn broek het gepist.

“Zorg gewoon dat je levend terug komt, ok?”, roept Julia Amber nog na.

De knappe blondine antwoordt met een “Cowabunga, chica!” die van veel verder klinkt dan het geschreeuw van zonet.

“Cowabunga”, lacht Kelly hoofdschuddend, “Is dat niet Bart Simpson die dat altijd zegt?”

Niemand krijgt de tijd om te antwoorden, want vanuit het niets springen twee donkere gedaanten te voorschijn. Ze brullen en snuiven als beesten. Hongerig. Bloeddorstig.

De meisjes schieten recht. Ze stuiven uiteen. Rennen de struiken in. Weg van hier. Weg van die monsterlijke wezens met hun handen als klauwen. Weg. Weg.

Gegil weerklinkt van overal. Hun eigen gegil en het gebrul van de twee wezens. Paniek maakt zich van de meisjes meester. Ze kijken niet waaar ze heen rennen. Ze denken niet. Vergeten de overlevingstruuks die ze ooit spelenderwijs geleerd hebben. Ze denken maar aan een ding: rennen. En blijven rennen.

Advertenties

Tags:

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s


%d bloggers liken dit: