Kutweer

by

Het regent en we lopen langs het Engels Plein. Kutweer, zegt De Frakke. En we knikken instemmend.
We klauteren zwijgzaam naar boven, langs het pad, via de grafittibrug die stinkt naar pis en pijn en eenzaamheid. Ik weet nog dat we hier ooit samen kwamen, jij en ik, maar dat is lang geleden. We dronken te veel. We wisten niet waar we mee bezig waren. Nu zijn we twinig jaar later. En ik drink nog altijd te veel en ik weet het nog altijd niet. Maar De Frakke en Pansj gelukkig nog veel minder. En zij leven uiteindelijk ook nog altijd.
Langs hier“, zegt Pansj. Hij kent de weg. Ook als hij gedronken heeft. En, fuck, hij heeft gedronken. Anders zouden we hier nooit rondlopen in de gietende regen en in het midden van de nacht. Niet hier. niet nu.

We stoppen even. Onder het licht van een straatlantaarn haalt De Frakke drie Cara’s uit zij rugzak. Rinkelend. ik vraag mij af wat er nog allemaal in zit. Maar eigenlijk weet ik het wel: de blaffer hebben we gekocht van een junk uit Charleroi en het mes komt uit de Colruyt. Voor zichzelf heeft Pansj een ijzer staaf gevonden bij het grof huisvuil. Hij vindt het meeste van zijn spullen daar.

Zwijgen. Hij is daar.

We drinken zwijgend van ons bier. Drie verlopen figuren in de nacht. Aasgieren. Coyotes.
Ik zie het brommertje al van ver aankomen. Het is wit, zoals ze allemaal wit zijn. Met blauw. En ik weet dat de woorden “Federale politie” op de zijkant staan.

Pardon, meneer“, roept De Frakke.
Het brommertje stopt.
We zoeken de Albert Wouterslaan.
De vent kijkt raar.
Dit is de…
En dan kijkt hij verbaasd naar de grond. Een blikje Cara is kletterend op de grond gevallen. Bier spat op zijn schoenen.
Godverdomme!

En “godverdomme” is wat ik noem “het juiste woord op de juiste plaats“. Niemand van ons hoeft hulp van bovenaf te verwachten vandaag. Alemaal zijn we verdoemd en verlaten: de ene door de drugs en de drank, de ander door zijn psychoses. En de brave mens die midden in de nacht op drie verlopen junks botst, ook hij is verloren. God heeft hem thuis zien vertrekken en moet gedacht hebben dat wie zich nu buiten waagt, vraagt om problemen. Kom niet klagen, zal Hij gezegd hebben, als je straks een ijzeren staaf in je bakkes krijgt. Of als er een kwiet een blaffer tegen je kop houdt en hysterisch lachend de trekker over haalt. En als je scalp aan de riem bengelt van een gestoorde zatlap en je lijk op het voetpad ligt, in je eigen pis en die van je belagers… kom dan niet biddend en bevend naar het kapelleke gekropen. God ziet u. God is overal. Maar verwacht geen mirakels.

We lopen terug richting centrum. Zwijgend. Drinkend. Ik gooi mijn lege blikje op de grond.

Daar staat een vuilbak, pvc“, zegt Pansj. En ik moet het oprapen uit de goot en in de vuilbak gooien.
In het licht van de straatverlichting zie ik hoe mijn bebloede handen het witte Cara-blikje bevlekken. Ik hou het omhoog, zoals een trofee. Pansj en De Frakke doen teken dat ik moet voortmaken, maar ik steek mijn handen in de lucht en kijk hoe de regen het flikkenbloed eraf spoelt.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s


%d bloggers liken dit: